Nederlands


Kunden-Code (optional)

Falls Ihr Unternehmen Ihnen einen Kunden-Code gegeben hat, tragen Sie ihn bitte hier ein und bestätigen ihn:
Ok

Selbstbewertung

Füllen Sie diese Selbstbewertung in Ihrer Muttersprache aus (klicken Sie auf die Flagge):

Wählen Sie
Écouter
Wählen Sie
Lire
Wählen Sie
Prendre part à une conversation
Wählen Sie
S'exprimer oralement en continu
Wählen Sie
Écrire


From CEFR Global Scale (Council of Europe)

Fragebogen

1/45. Weet u de weg _____ Venlo?

  • over
  • op
  • na
  • naar

2/45. _____ een uur zal mijn man weer thuis zijn.

  • na
  • in
  • over
  • naar

3/45. Frans is ook in de stad geweest, maar wij hebben _____ niet gezien.

  • hij
  • ze
  • hen
  • hem

4/45. Ik heb _____ drie keer opgebeld, maar er was niemand thuis.

  • al
  • na
  • altijd
  • op

5/45. Vergeet niet het balletje _____ .

  • meebrengen
  • te zullen meebrengen
  • brengen
  • mee te brengen

6/45. _____ boek is mij te duur.

  • Dan
  • Die
  • Dat
  • De

7/45. Ik _____ een kopje koffie te drinken.

  • zal
  • zit
  • wil
  • ga

8/45. Waar komt u _____ ? Uit Groningen.

  • van
  • af
  • uit
  • vandaan

9/45. “Mijn man is niet thuis.” – “ Daar kunnen wij niets _____ doen.”

  • aan
  • voor
  • af
  • over

10/45. _____ u de groeten aan uw vrouw !

  • Biedt
  • Doet
  • Brengt
  • Laat

11/45. _____ wil je het horloge geven?

  • Met die
  • Wat voor
  • Aan wie
  • Waaraan

12/45. Voor de weg naar zijn werk _____ meneer Bergman de bus.

  • neemt
  • rijdt
  • neem
  • nemen

13/45. Ik heb om acht uur naar het nieuws op de radio _____ .

  • geluisterd
  • gehoord
  • luisteren
  • te horen

14/45. Ruud is even oud _____ Gerrit.

  • wie
  • als
  • hoe
  • dan

15/45. Wat is de _____ weg naar het winkelcentrum?

  • korter
  • kort
  • kortste
  • kortst

16/45. Ik _____ niet met u meerijden.

  • zul
  • zullen
  • zal
  • zult

17/45. Als je morgen komt _____ .

  • ik zal tijd voor je hebben.
  • ik zal voor je tijd hebben.
  • ik zal hebben tijd voor je.
  • zal ik tijd voor je hebben.

18/45. Jan zal _____ vijf minuten wegrijden.

  • over
  • na
  • naar
  • in

19/45. Is dat een _____ werk?

  • inspannende
  • inspannend
  • inspannen
  • inspanning

20/45. Elza heeft _____ drie brieven geschreven, maar nog geen antwoord gekregen.

  • met
  • op
  • van
  • al

21/45. Ik _____ wel naar je feestje komen, maar ik moet morgen werken.

  • had
  • zou
  • zal
  • heb

22/45. Twee van de reizigers hadden _____ paspoort vergeten.

  • hun
  • mijn
  • haar
  • hen

23/45. Hoe zegt men het _____ Nederlands?

  • op
  • in de
  • in het
  • in

24/45. _____ de deur open, a.u.b. !

  • Doet u
  • Maak
  • Neemt u
  • Maakt u

25/45. Als u de mooie auto wilt kopen, moet u _____ veel …… betalen

  • daar……..mee
  • er……..voor
  • dan………voor
  • er………in

26/45. Ik kom eind van _____ maand uit London terug.

  • dit
  • het
  • deze
  • dat

27/45. Verleden week _____ bij verkeersongevallen twee mensen gedood.

  • werden
  • wordt
  • werd
  • worden

28/45. _____ heb je het boek niet meegebracht?

  • Waarom
  • Wie
  • Hoe
  • Want

29/45. Rijdt Piet ook mee naar Venlo? – Ik geloof _____ .

  • niet
  • nooit
  • niets
  • van niet

30/45. Vooral meisjes, die al in “mannen”-beroepen werkzaam zijn, _____de Steungroep “ Vrouwen in “mannen”- beroepen” nogal eens nodig te hebben.

  • bleek
  • blijken
  • zouden
  • zullen

31/45. Het politiestation is _____ de buurt van de grote kerk gelegen.

  • bij
  • in
  • naast
  • op

32/45. Deze auto kost veel, maar die andere is nog _____ .

  • duurder
  • duurdere
  • duurst
  • dure

33/45. _____ onze vakantie begonnen was, kregen we mooi weer.

  • Als
  • Hoewel
  • Indien
  • Toen

34/45. Jan is gisteren ook bij de voetbalwedstrijd geweest. Heeft u _____ gezien?

  • hem
  • hen
  • hij
  • hun

35/45. Herman vloog _____ toen zijn vader naar hem riep.

  • de trap naar boven
  • boven op de trap
  • op de trap
  • de trap op

36/45. Waar zjin de jongens? Een paar minuten geleden _____ ze toch nog hier!

  • speelden
  • spelden
  • spelen
  • spellen

37/45. _____ het regent zijn we teleurgesteld.

  • Hoewel
  • Om
  • Omdat
  • Opdat

38/45. De chef vraagt zich af, hoe _____ .

  • het probleem moet hij oplossen
  • hij het probleem moet oplossen.
  • moet hij het probleem oplossen.
  • oplossen moet hij het probleem.

39/45. De dichte mist _____ tot een groot aantal kettingbotsingen.

  • leed
  • leidde
  • leid
  • liet

40/45. Frans vindt zijn bril niet , _____ hij hem daarnet nog heeft gehad.

  • al
  • hoewel
  • omdat
  • opdat

41/45. Dit hemd bevalt me niet . Kan ik het _____ ?

  • ruiken
  • ruilen
  • staken
  • veranderen

42/45. Toen we naar huis kwamen, _____ er nog licht.

  • brand
  • branden
  • brandde
  • brandt

43/45. Weet u iets af van geneeskunde? Nee, ik ken _____ niets van.

  • daar
  • daarvan
  • er
  • ervan

44/45. Is dat het boek, _____ je gesproken hebt?

  • over wie
  • waar
  • waarover
  • wat

45/45. Vanmiddag heb ik zin _____ frites.

  • in
  • na
  • naar
  • op